Fase 01
Maischen — het graan wekt zijn suiker
Gemalen gerst en rogge gaan met heet bronwater de kuip in. Bij precies de goede temperatuur breken de enzymen het zetmeel af tot vergistbare suiker. Roeren, wachten, proeven — dit is waar de latere smaak wordt gelegd.
63°C ideale maischtemperatuur
Fase 02
Gisten — vier dagen leven in de kuip
We enten de zoete wort met onze eigen gist. Vier dagen lang eet die de suiker op en zet hem om in alcohol en aroma. Wat overblijft is een troebele, ruwe moutwijn van rond de acht procent — het vertrekpunt voor de kolom.
4 dagen ongehaast gisten
Fase 03
Ruwstoken — de eerste damp stijgt
De kolom warmt op. Alcohol verdampt eerder dan water, stijgt langs de koperen schotels omhoog en condenseert bovenin. Het koper vangt onderweg de scherpe zwavelnoten weg. Deze ruwe loop is nog grof, maar de basis is er.
78°C waarbij de alcohol kookt
Fase 04
Fijnstoken — koppen, hart en staarten
De tweede stook is het handwerk. Op neus en smaak scheiden we de vluchtige koppen en de olieachtige staarten van het hart. Alleen dat zuivere middenstuk — het hart van de loop — laten we door naar het vat. De rest gaat terug.
1 smalle snede die telt
Fase 05
Rijpen en bottelen — geduld op eiken
Het hart gaat op eikenhouten vaten en rust minstens drie jaar. Het hout geeft kleur, rondheid en een vleug vanille. Pas als de meester proeft dat het klaar is, verdunnen we tot drinksterkte en bottelen we met de hand, batch voor batch.
3 jaar op eiken vat